Grensoverschrijdende arbeid

Een werkgever die regelmatig zaken doet met het buitenland, kan in de situatie komen dat één of meer van zijn werknemers voor een bepaalde periode werkzaam zijn in het buitenland. Vrijwel altijd heeft dit gevolgen voor de belasting- en sociale zekerheidspositie van de werknemer. Ook de werkgever moet met de gewijzigde positie van de werknemer rekening houden.

De Wet op de loonbelasting (Wet LB) bepaalt dat een Nederlandse werkgever loonbelasting moet afdragen voor zijn werknemers die in Nederland wonen. Dit geldt ook als zij geheel of gedeeltelijk in het buitenland werken. Echter, in dat geval zal vaak ook in het buitenland belasting zijn verschuldigd over het salaris van de werknemer. Er is dan sprake van dubbele belastingheffing. Een belastingverdrag regelt welk land belasting mag heffen over het inkomen.

Het belastingverdrag kent als hoofdregel dat het arbeidsinkomen wordt belast in de woonstaat van de werknemer. Dit betekent dat de Nederlandse werkgever steeds loonbelasting zal afdragen over het salaris van zijn werknemers. Het buitenland (de werkstaat) mag geen belasting heffen. Er is echter een aantal situaties waarin Nederland niet langer belasting mag heffen over het salaris:

  1. de werknemer verblijft gedurende een periode van 12 maanden 183 dagen of meer in de werkstaat; of
  2. het salaris wordt betaald door of namens een werkgever die gevestigd is in de werkstaat; of
  3. het salaris komt ten laste van een vaste inrichting van de werkgever in de werkstaat.

Bij 2. en 3. gaat het om situaties waarbij de werkgever al een min of meer vaste aanwezigheid heeft in de werkstaat. In dat geval kan de belastingplicht in deze werkstaat ontstaan, zelfs al verblijft de werknemer daar minder dan 183 dagen.

Voor de sociale verzekeringen geldt een eigen regeling (bijvoorbeeld de Europese Verordening). De uitkomst hiervan kan een andere zijn dan voor de belastingplicht.

Berichtenarchief

kolom_bottom